De zwembroekredding

“Wat een sukkels zijn we toch! Waarom moesten we nou zo nodig vroeg vertrekken?! Als we op papa en mama hadden gewacht dan waren we nooit in deze idiote situatie gekomen!” Ruben stampt briesend rond en laat het water alle kanten opspatten. Zijn jongere broer Marten leunt tegen de rotswand en staart stilletjes voor zich uit. Hij hoort Marten zijn getier gelaten aan.

Vanochtend waren ze vroeg vertrokken. Ze verveelden zich al dagen. Ze hadden zo uitgekeken naar deze vakantie. Lekker surfen op de golven… Helaas was het de afgelopen dagen alleen maar windstil geweest. Mokkend hadden ze voor de tent gezeten. Tot vanochtend, toen voelden ze bij het opstaan al een koele wind. Ze konden niet wachten om naar het strand te vertrekken. Hun ouders waren nog niet klaar, maar ze mochten wel vast vooruitgaan.

     Ze waren regelrecht naar de zee gerend. Hoe heerlijk was het om op hun board richting de branding te peddelen en op het juiste moment op hun board te springen om de hoogste golven te pakken. Ze hadden het reuze naar hun zin gehad, tot hun oog was gevallen op een rotspartij rechts van het strand. De stroming was sterk maar het was ze toch gelukt om ernaartoe te peddelen. Ze wilden op de rotsen klimmen om er vanaf te duiken, maar ze waren met board en al richting een inham gedreven. En in die inham bevonden ze zich nu al uren.

     In het begin was het nog leuk geweest. Ze hadden de massieve stenen rondom hen bewonderd. Maar al gauw waren ze erachter gekomen dat ze er niet zo makkelijk weg konden komen. Ze hadden wanhopig geprobeerd omhoog te klimmen. Ze hadden hun handen en knieën open gehaald bij de talloze, tevergeefse pogingen. En net toen ze dachten dat het niet erger kon, had Marten opgemerkt dat hun enkels nat werden. Ruben had paniekerig geschreeuwd dat het vloed werd. En met dat schreeuwen was hij niet meer gestopt. 

Marten is ten einde raad. Maar rondstampen zoals Ruben doet, dat helpt hem niet. Hun situatie lijkt uitzichtloos. Terug door het water gaat niet lukken en ook omhoog klimmen lijkt onmogelijk. Ze kunnen nergens grip krijgen om zich aan vast te houden. Marten gaat met z’n ogen de rotswand bij langs. Van links naar rechts en van beneden naar boven. Dan valt zijn oog op een klein uitstulping.

     “Ruben, stoppen nou! Kom hier! Zie je die uitstekende rand? Als we daar nou eens konden komen? Daarvandaan lijkt het makkelijker om omhoog te klimmen.”

     “Denk je nou echt dat dat gaat lukken?! Het is te ver weg!’’

     “Maar wat nou als ik je een voetje geef en je via mijn schouders hoger klimt?”

     Ruben kijkt peinzend omhoog, “Het is het proberen waard!” Gauw gaat hij voor zijn broer staan en via Martens handen en schouders reikt hij naar de richel.

     “Schiet je een beetje op, je bent niet bepaald een licht veertje”, kreunt Marten.

     Ruben zet zich af en klimt gestaag verder. Uiteindelijk bereikt hij de top. Bovenaan schreeuwt hij om hulp terwijl hij wild met zijn armen zwaait. “Ze zien me niet Marten! Maar wat moeten we nu, jij bent nog beneden!”

     “Trek anders je zwembroek uit en wapper daarmee, dat valt vast op!”

     “Ben je gek, ik ga hier niet in m’n nakie staan!”

     “Veel andere keus hebben we niet toch?!” gilt Marten van beneden.

     “Jouw zwembroek dan?” oppert Ruben. Voor hij het weet slingert er een oranje zwembroek omhoog.

     “Wel naar beneden gooien als ze je gezien hebben hè!”

Na een paar minuten belandt de zwembroek weer in het water. Eindelijk!

Door: Mispoes Appelmoes